S    T    O    N    E    A    G    E    I    M    A    G    E    S

 

 

 

 

STONEAGEIMAGES © 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014 - all rights reserved          

 

MET INGANG VAN 2015 WORDT DEZE WEBSITE (ALLE ANDERE PAGINA'S DUS OOK) NIET MEER BIJGEHOUDEN. DE WEBSITE BLIJFT WEL BESTAAN VOOR ‘HISTORISCHE DOELEINDEN’ ALS IK HET ZO MAG NOEMEN. DE NIEUWE LOCATIE VAN MIJN SCHRIJFSELS VINDT U HIER: http://blog.stoneageimages.com/#home

 

Auto's

Auto’s. Da’s toch wel een ding voor mij. Al sinds mijn vroegste jeugd. Ik heb er gewoon wat mee en kan en wil er van tijd tot tijd graag wat over kwijt. Aanvankelijk plaatste ik de stukjes op mijn weblog, maar heb besloten er een separate pagina voor te maken. Mijn waarnemingen van alledag en ‘diepere’ zaken passen toch niet zo goed bij mijn automobilistische bespiegelingen. Of toch wel? Nou ja, oordeel zelf.

 

 

2 december 2014 – Volkswagen VW Polo 1.2 TDI Bluemotion - Autoweek

Ik moet een beetje consequent blijven en dus heb ik, na 10.000 kilometer, mijn ervaringen met mijn brom-Polootje ook officieel gepubliceerd. Op de website van Autoweek: http://tinyurl.com/q6wmkcg

 

 

4 oktober 2014 – VW Polo 1.2 TDI Bluemotion

Na de wisseling van baan stond er een andere auto op mij te wachten. Nummer 52 om precies te zijn. Ik hield mijn hart vast na een jaar genoten te hebben van de Clio. Er stond een net gewassen vierkant zwart doosje voor mij klaar. Op zich zeker geen verkeerde auto. Scherpe heldere lijnen, stoere neus en als je snel kijkt lijkt-ie wel op de Golf VII. Jammer dat heel Nederland er in rijdt en ze zijn ook bijna allemaal zwart… Voor de kenners, we hebben het over een B-segment auto aangedreven door een driecilinder commonrail diesel met 75 pk en 189 Nm koppel. Niet vooruit te branden volgens de boekjes en in de volksmond ook wel VW Polo Slowmotion genoemd…

 

 

De Polo is bijna vier jaar oud en gaat waarschijnlijk in januari uit de lease. Misschien rijd ik nog even door of er komt een andere. We zien wel. Mijn voorganger heeft vier jaar lang stevig in de auto zitten smoken want de stank was niet te harden. Het interieur was nota bene chemisch gereinigd. We zijn nu een week of vijf verder en ik heb ook een paar reinigingacties ondernomen en het gaat nu wel, maar je blijft het toch een beetje ruiken.

 

Hoe rijdt dat nu? Typisch VW: goed, maar niks geen passie. Alles klopt. Wegligging, schakelen, sturen, stoelen, ergonomie, noem maar op, alles prima. Goed te betalen, superzuinig, 14% bijtelling en je hebt een succesnummer. Dat is te merken. Gisteren stond ik met vier andere Polo’s voor het verkeerslicht.

 

Hoe dat met die motor zit is natuurlijk een ander verhaal. Inmiddels is de dieseltechnologie zo ver doorontwikkeld dat de meeste moderne diesels superieur zijn aan de benzinemotoren. Met name met betrekking tot trekkracht en rendement. Dat onbeschaafde geratel en geschud behoort echt wel tot het verleden, behalve bij de Polo Slowmotion. Allemachtig; als de motor koud is lijkt wel of je een John Deere tot leven brengt en die is waarschijnlijk nog beschaafder. Dit kan eigenlijk echt niet meer als je ziet wat de concurrentie klaarspeelt met hun kleine diesels, vooral de Fransen. Maar goed, ik ben er nu wel aan gewend en als je wat harder rijdt dan wordt de auto rustiger en boven de 140 loopt-ie als een zonnetje. Slow? Ja, eigenlijk wel, maar als je, zoals ondergetekende, respect hebt voor de techniek en het torretje de gelegenheid geeft op temperatuur te komen, dan  gaat-ie best wel. Sterker, je moet van goede huizen komen om de stoplichtsprint van me te winnen. Het is natuurlijk ook het verrassingseffect: die 5-serie verwacht niet dat dat pruttelpolootje er als een raketje van door schiet, hahaha.

 

Nog even een nuancering. De zwarte Polo had een gescheurde voorspoiler en achterstallig onderhoud. Ik moest dus tweemaal de auto een paar dagen inleveren en kreeg in beide gevallen een Polo 1.2 TSI ter vervanging mee. Dat is andere koek, een werkelijk briljante motor, deze TSI. Stil en razendsnel. De Bluemotion heeft een verlaagd onderstel en wat spoilerwerk wat de Polo goed bekomt. De ‘onzuinige’ Polo’s hebben dat niet en staan echt te hoog op de poten. Jammer, want met deze supermotor is de Polo een briljante auto.

 

Maar ik zal blij zijn als ik een Clio 1.5 dCi mag gaan rijden. Hoewel er op de keper weinig mankeert aan de styling van de Polo en als auto, is een Clio toch wel even van een heel andere orde. Ik heb mijn wensen al kenbaar gemaakt bij mijn werkgever: Clio Dynamique 1.5 dCI in Brun Ardent met een two-tone interieur, heel chique! Maar ja, je weet maar nooit. Eerst maar eens kijken of mijn contract wordt verlengd en ons EMEA management goedkeuring geeft. Misschien laten ze mij de Polo nog een tijdje doorrijden. Ach, verder ook niets mis mee. Wordt wederom vervolgd.

 

 

 

22 juni 2014 – Renault – De Cirkel is Rond

Mensen die mij kennen weten dat mijn ‘autoloopbaan’ indrukwekkend is. Niet zozeer omdat ik begonnen met een VW Kever en nu een Ferrari rijd. Nee, was dat maar waar. Het is een schier eindeloze rij van compacte en middenklasse auto’s met een paar uitschieters naar boven en beneden. Het heeft alles  te maken met de hoge frequentie van het wisselen van banen gecombineerd met allerlei rollen en het autobeleid bij de werkgevers. Ik wissel vaker van auto's dan van schoenen. Letterlijk. De teller staat op 40+ en het einde is nog niet in zicht. Ik vind het prima. Ik houd van afwisseling. Binnenkort staat er zeer waarschijnlijk een VW Polo 1.2 TDI Bluemotion voor de deur. Maar dat kom in een ander chapiter weer aan de orde.

 

Vandaag kreeg ik wat fotootjes van mijn moeder. Om te scannen en wat groter voor haar af te drukken. De meeste uit de jaren veertig en vijftig. Wat zat er tussen? Een piepklein fotootje van de eerste auto van mijn vader! Geweldig gewoon. Een Renault 4 CV. Ik kom zo nog op terug op dit wagentje. Mijn vader’s ‘autoloopbaan’ was kort: de zojuist aangehaalde Renault, een VW Kever, een paar Opel Kadett’s 1100 (type B), een Opel Ascona 1.6 S (type A) en een Opel Rekord 1700 (type D, de Rekord II). Dat was het. Mijn vader was een echte werktuigbouwer bij wie de smeerolie door de aderen liep. Het was ook zijn vak: Smeertechnisch Adviseur bij de MobilOil. Hij kwam bij bedrijven die hun ‘rotating equipment’ smeerden met Mobil producten. Turbines, dieselmotoren, dat soort werk. Hij kende ook de directeur van de importeur van STP, de legendarische ‘fuel additives’ die in de racerij werden gebruikt en hun Indy STP-Paxton Gasturbine auto van 1967 en 1968.

 

 

Bij genoemde directeur mocht ik eens langs komen en kwam helemaal verrukt terug met folders, raceboekjes en stickers (voor op de fiets). Een andere vriend van mijn vader was General Motors dealer in onze streekstad. Hij voerde de GM merken Opel, Chevrolet, Pontiac en Buick.  We kwamen regelmatig in zijn showroom kijken en ooit kwam de vriend met zijn vrouw bij ons op visite in een echte Corvette! Ik herinner mij ook dat we in Rotterdam ooit een Chevrolet Caprice zijn gaan halen. Mijn vader en ik mochten mee. Waanzinnig was dat. Zo’n slagschip van hier tot Tokio, of beter, Detroit, die niet op een normale autotrailer paste. Veel te groot, hahaha.

 

 

 

Van hem, de GM dealer, kreeg ik regelmatig van die prachtige folders die in de jaren vijftig en zestig allemaal echte kunstwerken waren. De illustraties waren geen foto’s maar geschilderd. Ik heb de brochures, samen met de STP paraphernalia, in een waas van volledige verstandsverbijstering allemaal weggeflikkerd! Stom, stom, stom. Vele jaren later verraste J. mij met een prachtig boek: ‘Cruise O Matic’ met prachtige afdrukken uit autofolders van die tijd. Om de pijn te verzachten.

 

 

Mijn vader nam regelmatig koffertjes mee met monsters van olie die hij had genomen van de machines bij de bedrijven waar hij kwam. Voor analyses en dergelijke. Hij zat dan ‘s avonds aan tafel met dat spul en schreef ingewikkelde rapporten en vulde lange lijsten in. Een mooi vak denk ik. Hij kwam nog eens ergens. Dat leek mij geweldig en dat wilde ik ook. Ergens ‘heen’. Liefst in een mooie auto. Ik ging in vakanties regematig met hem op pad naar allerlei bedrijven. Suikerfabrieken, steenfabrieken, elektriciteitscentrales enzvoort. We zijn zelfs ooit naar de Kerncentrale in Dodewaard geweest. Ik moest wel buiten blijven… Mijn vader was een intrinsieke liefhebber van techniek, maar wars van opsmuk of uiterlijk vertoon. Een Opel Kadett, grijs metallic of licht blauw, was hem opzichtig genoeg. Dat vond ik wel jammer; van mij mocht het wel wat smakelijker. Ik weet nog dat hij een collega had met een prachtige donkerblauwe Ford Taunus met een zwart vinyl dak en vier deuren. Kijk, dat leek nog ergens op. Maar, de donkergroene Opel Ascona was een grote stap voorwaarts. Ik kon alleen maar een rooie vinden. (Welke fotograaf laat er nou zo’n stom wijf uit de auto hangen?)

 

 

 

Een stoere auto met een Buick-achtige neus en heuse topsnelheid van 160 kilometer per uur op de teller. Mijn vader werd maar 51 en zijn laatste jaar reed hij een grote goudkleurige Opel Rekord. Tweedehands gekocht. Op zich een mooie auto, maar een driedeurs… Jammer, jammer, jammer. De vierdeurs ‘saloon’ was qua styling veel beter in balans. Hij heeft maar kort van zijn Rekord mogen genieten. Dat laatste woord is betrekkelijk, want er was wel het een en ander steeds mis met die Rekord. Na zijn overlijden reed mijn zus er nog even in. Ze vond het een onding met een handchoke die alles verkeerd deed: pompen én verzuipen.

 

Tussen mijn Clio en de 4 CV zit 60 jaar ontwikkeling. Mijn vader zou zich in een ruimteschip wanen als hij in de moderne incarnatie van zijn eerste Renaultje zou rijden. De 4 CV was een rampzalig autootje volgens mijn moeder. Ze gingen, kort na de aanschaf, een dagje op pad met een vriendin en een paar kilometer buiten onze provinciestad gaf het Renaultje de geest. Definitief. Daarna kwam de VW Kever. Zonder ‘bril’ en daar waren ze reuze trots op; dat was het nieuwste van het nieuwste. Ik ben toch nog eens even in de Renault historie gedoken. Het is voor mijn tijd en van de 4 CV wist ik eigenlijk niets. Sterker, tot vandaag dacht ik dat we een Renault Dauphine hadden, maar die is van later.

 

De Renault 4CV werd geproduceerd tussen 1946-1961. Geïnspireerd door de Volkswagen Kever. De 4CV werd oorspronkelijk bedacht en heimelijk ontworpen door Renault ingenieurs tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog. Men voorzag de economisch moeilijke jaren die onvermijdelijk zouden volgen na de oorlog en men wilde een eigen Franse ‘volksauto’. Het eerste prototype stamt uit 1942 en de definitieve introductie was uiteindelijk in 1946 tijdens de Autosalon in Parijs. De 4CV werd aangedreven door een 748 cc motor met 17 pk, gekoppeld aan een drie-versnellingsbak. Die 50 pk’s van de Kadett waren dus nog ver weg! Pas in 1961 stopte men de productie van het succesvolle autootje. De Dauphine, bedoeld als opvolger, was eigenlijk iets te duur en de Renault 4 werd de échte opvolger. Een auto waar onze generatie zeer mee vertrouwd is geraakt. Na de 4, kwam de Renault 5 en in 1991 de eerste Clio. Met de huidige generatie Clio’s is mijn cirkel, wat dit verhaal betreft, rond.

 

 

De foto hierboven is dus de authentieke Renault 4 CV die mijn vader in 1956 kocht! De auto staat voor het huis waar ik van 1957 tot 1965 woonde. Op de bovenverdieping. Mijn Oma woonde beneden. In het huis links woonde de oma en opa van de gebroeders Koerts, de blonde tweeling van Earth & Fire, van Jerney Kaagman. Ze kwamen wel eens langs in hun hippiebusje. Maar dat is voor de meesten volledig oninteressante informatie. Geen (jong) mens weet meer wie dat waren. Earth & Fire... boeien.

 

9 januari 2014 – Review Autoweek – Update

Een uitje in de Eifel. Mooie gelegenheid om de Clio eens even de sporen te geven op de Autobahn én de ‘bergwegen’ in het Duitse middelgebergte. Mijn ervaringen heb ik in een ‘update’ weergegeven op de website van Autoweek. Zie de link onder de foto.

 

 

 

http://www.autoweek.nl/autoreview/37508/renault-clio-tce-90-energy-expression

 

21 december 2013 - Renault Clio 0.9 TCe - Review Autoweek

Inmiddels heb ik een redelijk aantal gebruikersreviews geschreven op de website van Autoweek. Het zijn mijn ervaringen met de auto's waar ik de afgelopen jaren mee heb gereden. De reviews worden door de Autoweek-lezers goed gewaardeerd en dat is natuurlijk erg leuk. Mijn ervaringen met de Fiat Punto staat op nummer twee van alle (Punto-) waarderingen en die van de nieuwe Clio staat op nummer één. De competitie is, bij elkaar opgeteld, meer dan 700 reviews. Ik ben best trots op die positieve reacties en streelt toch het ego, nietwaar? Onder de foto staat de link naar de review.

 

 

http://www.autoweek.nl/autoreview/37508/renault-clio-tce-90-energy-expression

 

Het kenmerkende karakter van het kleine motortje waar ik het in de review overschrijf is af te lezen aan de vermogens- en koppelkromme. Voor de liefhebbers:

 

 

29 oktober 2013 – Renault Formule 1

Geheel terecht merkt mijn zeer gewaardeerde ex-collega JS op, naar aanleiding van het Clio-artikel, dat Renault een geweldige reputatie heeft op het gebied van motorenbouw. Renault is inderdaad al jaren hofleverancier van Formule 1 motoren. Afgelopen weekend behaalde Sebastian Vettel voor de vierde keer op rij de titel in zijn F1 Red Bull Racing-Renault. Inderdaad vreemd, zoals JS opmerkt, dat Renault daar geen reclame voor maakt. In Nederland althans. Mooie marketing toch? Misschien dat de Nederlandse volksaard te weinig gepassioneerd is en niet (meer) warm loopt voor deze milieu-onvriendelijke sport. Zo weinig mogelijk bijtelling en/of wegenbelasting, dat willen we hier graag horen. Ik geef toe dat ik daar ook wel aan meedoe, maar dat is gedreven door mijn portemonnee, niets anders. Gelukkig brengt de Clio, zoals ik hiervoor duidelijk maak, genoeg passie met zich mee voor een beetje ‘Petrolhead’. De associatie met de burgermans Clio en Formule 1 is minder gek dan je in de eerste instantie zou denken. ‘Downsizen’ is helemaal hot in de koningsklasse van de autosport. Een grote stap hiertoe wordt in 2014 gezet. Motoren mogen dan niet groter zijn dan een V6 met 1,5 liter luchtverplaatsing als ik het zo mag uitdrukken. Bovendien moeten de motoren worden uitgerust met een z.g. ERS, een ‘Energy Recovery System’. Een systeem waarbij o.a. de hitte van uitlaatgas en remmen terug wordt gewonnen en in energie wordt omgezet. Renault is inmiddels gereed met de motor voor 2014, de ‘F1 Energy’. Het vermogen bedraagt 600 PK en de ERS voegt er nog zo’n 160 aan toe! Bovendien gebruikt de motor 35 procent minder brandstof dan de oude V8 van dit jaar. Schitterend toch? Renault heeft het geluid van de nieuwe motor, op internet gezet. Onzin natuurlijk, maar wel grappig.

 

 

 

 

De Formule 1 is, afgezien van de 'fun', ook nog ergens goed voor. Het mag best wel onder de aandacht worden gebracht dat de huidige efficiency van verbrandingsmotoren en de voordelen ervan op het gebied van uitstoot mede voortkomen uit de ontwikkeling in de Formule 1. Natuurlijk is zo’n motor als in mijn nieuwe Clio huist onvergelijkbaar met deze waanzinnige state-of-art technologie, maar toch leuk om te weten waar de wieg stond!

 

26 oktober 2013 – Renault Clio 0.9 Tce Expression

‘Downsizen’. Ik geloof niet dat het voor de meesten onder ons een begrip is dat een hele wereld opent. Voor de auto-adepten wel. Er wordt gedoeld op de actuele trend om steeds kleinere verbrandingsmotoren toe te passen in moderne auto’s. Dikke Audi’s, BMW’s en Mercedessen rijden steeds vaker met 4 en 6 cilindermotoren rond in plaats van een vette V8 machine. Middenklassers worden meer en meer voorzien van kleine 4 cilinder- en zelfs 3 clindermotoren. Het zijn in alle gevalle pure ‘statements’ van moderne techniek en vooral bedoeld om aan de steeds stengere EU emissie-eisen te voldoen. De kleinere motoren blijken sterk, schoon, efficiënt en zuinig. Mijn vorige leaseauto, de Ford Focus 1.0 was zo’n voorbeeld. Een ongelofelijk goede auto met een fantastische 3 cilindermotor. Ik steek daar elders de loftrompet over. We moeten in deze tijden (bijna) allemaal op de kleintjes letten en in overleg met mijn werkgever besloot ik voor mijn nieuwe leaseauto ook te ‘downsizen’ in de letterlijk zin van het woord. Een kleinere auto dus en met een bijna belachelijk lage maandelijkse bijtelling. Het is de Renault Clio 4 geworden. Na een zorgvuldige historische analyse blijkt dit mijn/onze 51e auto te zijn vanaf 1981. Eigendom en lease uiteraard bij elkaar opgeteld.

 

De nieuwe Clio is ontworpen door de designbaas van Renault, de Nederlander Laurens van den Acker. In mijn ogen heeft hij een meesterwerkje neergezet met deze Renault. Het is een ronduit schitterende auto geworden die menig Italiaans ontwerp in de schaduw stelt. ‘Kleiner’ is een relatief begrip want de Clio is de grootste vertegenwoordiger van het z.g. B-segment (Corsa, Fiësta e.d.) en zo groot als een VW Golf van een paar generaties terug. Door de styling toont de nieuwe Clio ook als een volwassen en stoere middenklasser. Van onze Fiat Punto weet ik dat je in B-segment auto’s tegenwoordig weinig te kort komt. Maar de Ford was zo goed dat ik de overstap toch wel spannend vond en vind. Maar de eerste indrukken zijn veelbelovend. Het is een mooie zwarte auto met vette wielen, wat ‘goodies’ en een 900 cc driecilinder motor met een low-pressure turbo compressor en variabele kleptiming. Een wondertje van engineering. Besturing en onderstel zijn misschien nog wel beter dan de Ford. Ronduit steengoed! Het stuurt als een kart en ik kan niet wachten om de auto eens flink aan de tand te voelen in de Ardennen of de Eifel. De motor, weliswaar nog lang niet ingereden, is onwaarschijnlijk fel en behoorlijk stil. Van binnen ziet het er ook kek uit, met veel pianoglans en een infotainment systeem met touchscreen dat op een i-Pad lijkt. Leuk spul. Betere auto dan de Focus? Nee, dat kan natuurlijk ook niet. De Clio is bijna 8 mille goedkoper, maar hij kan de vergelijking met de Focus verrassend goed aan. Maar op punten is de Clio de mindere. De stoelen zitten weliswaar lekker maar hebben minder zijdelingse steun dan de Ford. Ook de robuustheid van de Focus is van een andere orde. Dat voel je wel degelijk. Boven de 120 km/u hoor je in de Franse auto toch wel meer windgeruis terwijl de Focus tot topsnelheid ongeloofwaardig stil is. De Clio is lichter en dat merk je met name op slechte wegen. De Ford neemt gelaten elke hobbel en onregelmatigheid terwijl je in de Clio dan toch wel aardig heen en weer wordt geschud. Daarentegen vind ik de Franse auto gewoon een supergave bak om te zien. Niks mis met de Focus maar die mist een beetje 'machismo'. De Renault stuurt en schakelt als een waanzinnige. Super, het lijkt wel een rallyauto en er komt een stuk rijplezier om de hoek kijken die de Ford echt moet ontberen. De Clio's 'lage inertie' turbocompressor pakt op vanaf ongeveer 1800 omwentelingen per minuut en trekt door tot 6000! Dat laatste heb ik uiteraard nog niet geprobeerd, maar de gretigheid waarmee de motor in toeren klimt belooft veel goeds. Gaaf om met open ramen te rijden en de turbo te horen fluiten. Ik vermoed dat straks, als de auto goed is ingereden, boven de 5000 toeren ook de waste gate af gaat blazen. Lachen! Eigenlijk moet ik gewoon een RS gaan rijden. Zie de onderste foto. Volgende keer dan maar, haha.

 

Een verademing is de  geluidsinstallatie in de Clio.  In één woord geweldig! Met de Focus had ik altijd ruzie met het audiosysteem. Ik zat steeds te hannesen met allerlei instellingen om er een acceptabele sound uit te krijgen. Dat lukte zelden. Nee, dan de Clio! Het is ronduit heerlijk om met supermuziek (USB of Streaming) rond te rijden met een dergelijke audiofiele kwaliteit! Glashelder, precies, rustig, zeer beheerst laag. Een genot van de eerste orde! Ik verheug mij nu al om eens lekker wat bergwegen af te schuimen. Deze winter gaan we zeker eens een weekendje naar de Eifel en Oostenrijk eind mei is al geboekt. Kan niet wachten!

 

 

 

 

 

16 augustus 2013 – Porsche 917

De autoindustrie begint steeds vaker ach en wee te roepen vanwege een fenomeen wat ik al een tijdje meen waar te nemen: de auto is niet ‘hip’ meer. Nu is dat wat kort door de bocht, maar de tendens is er echt. Mijn generatie jongentjes droomde van dikke sportauto’s en verdrong zich als er ergens een Ferrari of Maserati stond geparkeerd. We maakten een kommetje van onze linkerhand tegen de portierruit om goed op het dashboard te kunnen kijken. ‘Zo!, hij kan meer dan 200!’ Kwam daar maar eens om bij de Kadett of Kever waar die ouwe van je in reed. Wij konden niet wachten om het rijbewijs te halen en zelf achter het stuur te kruipen. Ik was helemaal idolaat van auto’s. Als tiener was ik een getalenteerd tekenaar van het stalen ros en ik had gewoon autodesigner moeten worden. Maar dat werd niet onderkend door mijn ouders. Geen verwijt uit mijn mond verder, maar daar hebben ze toch een missertje gemaakt. Het liep anders en dat zal ook wel ergens goed voor zijn geweest. Het auto-virus is nooit verdwenen en ik lees dagelijks autotijdschriften en stap iedere dag met plezier in de auto. Het is voor mij een natuurlijke habitat. De vrijheid, je eigen cocon, je eigen muziek, je eigen radioprogramma, geen gezeik aan je ‘hoof’, geweldig! Sommigen begrijpen dat en anderen niet. Het is zoals het is.

 

Buurman/kennis/vriend F. reed een BMW 2500 en vele opvolgers daarvan. Hij werkte voor zijn vader als vertegenwoordiger en scheurde stad- en land af met de vroegste voorganger van de huidige 7-serie. Wat een wagen. Een super soepel lopende 6 cilinder in lijn met 150 pk die ruim 190 kilometer per uur reed en in iets minder dan 10 seconden naar 100 acceleerde. Ik reed af en toe mee met F. en dat was hemels! Een leven lang droomde ik er van ooit eens zo’n auto te bezitten. In 2005/2006 reed ik een jaar met een BMW 530D en elke meter was inderdaad een genot.

 

  

 

De autoindustrie is zo snel ontwikkeld dat ik durf te beweren dat mijn huidige Ford Focus net zo lekker rijdt als die 530D! Bijna even snel, nog stiller (echt waar), veel betere wegligging en besturing, mooi gedempt onderstel en laten we het maar niet hebben over alle moderne elektronische hulpmiddelen. Mijn auto kan nota bene zelf fileparkeren en mondelinge instructies uitvoeren! Enige jaren geleden was dat nog ondenkbaar. We zijn vergeten wat een spartaanse en roestende herriebak een gemiddelde auto vroeger eigenlijk was. Tegenwoordig wordt perfectie al in de middenklasse bereikt. Geweldig voor jongentjes zoals ik.

 

  

 

Maar welke passies hebben de jongens van tegenwoordig? Het geldt natuurlijk, nogmaals, niet voor al die gasten, maar het lijkt wel of ze volledig elektronisch en virtueel gedreven zijn. Social Media, Gaming, WhatsApp, SMS, Youtube, enz. De Smartphone is hun voornaamste bezit. Ook voor ander materieel spul lopen ze nauwelijks nog warm. Kleding en uitgaan, dat is het wel zo’n beetje. Eergisteren ging ik met mijn baas & collega en één van onze werknemers een hapje eten. Afgezien van werk gerelateerde onderwerpen hadden we het al snel over reizen, Porsches, muziek, geluidsinstallaties, Ferrari’s, horloges (Chronografen eigenlijk), enzovoort. De typische dingen van ‘jongens’ die geboren zijn in de jaren vijftig en zestig. De schijnbaar lauwe interesse van de jonge generatie in duurzame goederen wordt wellicht ook ingegeven door de slepende crisis: het is toch niet te betalen. Maar, denk ik dan, een mens moet toch prikkels krijgen in het leven? Om aan de gang te gaan, om een doel of een passie te hebben. Dat hoeft niets eens materieel te zijn natuurlijk. Je kan toch niet de hele dag bezig zijn met een beeldscherm, met een virtuele (on)werkelijkheid? Is dit een generatiekloof die zich tussen mij en de jonge generatie aan het ontwikkelen is, of is het een verschuiving van collectief gedrag en bewustzijn? Als het eerste waar is, ben ik oud aan het worden en in het tweede geval weet ik niet wat ik er van moet vinden. Het voorgaande is natuurlijk erg generaliserend, ik weet het. Maar toch...

 

Mijn generatie is van relatief kort na de tweede wereldoorlog en onze ouders waren in eenvoud en soms in armoede opgegroeid. Dankzij de Marshallhulp krabbelde Europa weer op en onze papa’s en mama’s wilden een beter leven dan daarvoor. De enige weg omhoog was groei. Dus: leren, studeren, hard werken en dan kun je mee gaan doen aan het doel dat we allemaal voor ogen hadden: consumptie. Leuk huis, mooie keuken, fraaie auto, vakanties, enzovoort. Dat er steeds minder aandacht was voor het geestelijk leven was dus niet zo vreemd. In de jaren zestig en zeventig ontstond er weliswaar een tegenstroom die veel waarden aan de kaak stelde, maar het haalde op den duur weinig uit. Het materialisme vierde vanaf de jaren zeventig hoogtij als nooit tevoren! Hoe dan ook, wij werden door ouders en maatschappij constant de maat gemeten: doe je best. Een 8 is goed en een 6 niet. Werkgevers zijn doorgaans 'rupsjes nooit genoeg' en aan onze generatie hadden ze een goeie: de hoogste productiviteit ooit! We hebben een hoog gevoel voor verantwoordelijkheid en loyaliteit en gemakzucht is ons niet meegegeven. Wij leggen de lat doorgaans hoog, werken ons al een heel leven de pleuris en moeten dat ook nog eens langer doen dan alle generaties voor ons. Ik werk nu bijna 37 jaar en moet er nog minimaal 10! Maar ja, ik mag niet klagen want ik heb werk en een plichtgevoel van hier tot Tokio. Onze kinderen lijken dat allemaal niet zo te kennen. Misschien, of zelfs waarschijnlijk, is de reden dat voor hen alles er gewoon altijd was. De onderbewuste behoefte om te dromen van iets ‘hogers’, materieel of immaterieel, zit er gewoon niet in. Als je iets wilt dan komt het er gewoon. En wel gelijk. Lees: dan koopt of regelt die lullo van een vader het voor je. Of moeder natuurlijk. Die kids kunnen nog wel eens een zware pijp gaan roken. Maar allee, genoeg van die zware kost.

 

Allemachtig, wij hadden ons de ‘cloud’ samenleving niet kunnen voorstellen. Pure Sience Fiction. Wij lazen gewoon een boek en onze informatie kwam voornamelijk van papier. Zo kreeg ik in 1969 van mijn ouders een abonnement op ‘Autorevue’ onder redactie van Piet Nortier, de ‘Godfather’ van de autojournalistiek. Autorevue zat op de Pompstationweg 7 in Den Haag. Als ik ’s ochtends naar mijn werk ga en de gewone route zit verstopt, maak ik soms een omtrekkende beweging via de Van Alkemadelaan en dan rijd ik langs het oude redactiegebouw. Mijn hart maakt dan altijd even een nostalgisch sprongetje. Het blaadje kwam eens in de veertien dagen en ik was er flink ziek van als het een dag te laat was. Ik las het van voor tot achter en terug en werd natuurlijk een wandelende auto-encyclopedie. De omslag van de Autorevue die ik op internet vond is die van 18 juni 1969. Het is toevallig het eerste nummer wat bij ons op de voordeurmat viel!

 

   

 

Gewone auto’s, sportauto’s, raceauto’s, formule 1, noem maar op. Ik wist er alles van. Er sprong er één uit waar ik helemaal door was gefascineerd, de Porsche 917. Wat een onwijs gave auto was dat! Nog steeds. Kijk eens naar de foto hieronder. De eerste introductie is in maart 1969. Na een aantal evoluties zag de 917 er uit als hieronder. Dat is 43 jaar geleden!

 

 

Wat ging er aan die fascinatie vooraf? Dat behoeft wat historie. In 1969 bracht Universal de film ‘Winning’ uit met Paul Newman. De film speelt zich af tijdens de beroemde ‘Indianapolis 500’ race. Ik mocht er voor mijn verjaardag naar toe. We gingen met mijn vader en wat vriendjes naar het oude Thalia theater met die bordeauxrode klapstoeltjes. Het boudoir-achtige en wat muffe bioscoopzaaltje zat vol met schooljongens. Waardeloze film met een verhaal van niks, maar prachtige opnamen van al die ‘Indy’ racecars.

 

 

Het smaakte naar meer. Mijn vader wist ik over te halen een aantal keren naar de Formule 1 Grand Prix in Zandvoort te gaan. Die bestond toen nog. Mijn vader was een specialist op het gebied van verbrandingsmotoren en turbines (‘Smeertechnisch Adviseur’ bij Mobil Oil) en die Formule 1 auto’s vond-ie daarom wel wat. In plaats van de film naar het echte werk. Ik weet nog wel dat ik vooral onder de indruk was van de onvoorstebare herrie die de auto's produceerden. Dat ging echt door merg en been. De race volgen was er niet bij. We stonden dan ergens in de duinen (meestal) in de zeikregen met een soort ‘lap chart’ uit mijn Autorevue om de stand bij te houden. Na een paar rondes reed alles door elkaar heen, was mijn boekje nat geregend en waren we het spoor bijster. Het commentaar uit de luidsprekers op het circuit was natuurlijk onverstaanbaar vanwege de voorbij denderende bolides. Pas thuis zagen we op TV wie er had gewonnen. In mijn herinnering was het altijd koud, nat en winderig, maar ik vond het geweldig! Dat er bij ons eerste bezoek een dooie viel (Piers Courage, 1970) was vreselijk, maar dat hoorde er in die dagen een beetje bij. Dat is nu wel anders. Het meest recente dodelijk ongeluk in de Formule 1 was Ayrton Senna in 1994!

 

 

 

Maar de bioscoop was toch wel een stuk comfortabeler. In 1971 kwam de film ‘Le Mans’ uit met Steve McQueen. Die ging natuurlijk over de beroemde 24 uurs-race. Het verhaal van de film is ook deze keer flinterdun, maar technisch bleek het een hoogtepunt. Mede door stunts die tot stand kwamen met de hulp van de legendarische Rob Slotemaker, de ‘slip master’ uit Zandvoort. De film is deels opgebouwd uit  opnamen geschoten tijdens de echte race van 1970. Voor degenen die niet helemaal zijn ingewijd in de race in Le Mans, hierna een korte toelichting.

 

De 24 uur van Le Mans is een autorace die sinds 1923 op het ruim 13 km lange 'Circuit de la Sarthe' in Le Mans wordt gereden. De auto die in 24 uur de meeste ronden rijdt wint. Zo simpel is dat. Het is een race voor ‘sportwagens’ met carrosserie en dus niet voor Formule 1 achtige auto’s. Men rijdt in 4 klassen. De toppers (klasse P1) worden gereden door fabrieksteams met auto’s die speciaal zijn gebouwd voor duurzaamheidsraces. Audi domineert al vele jaren met hun diesels. Het meest recente model is een diesel-hybride! De lagere klassen worden door kleine en vaak particuliere teams gereden en zijn ook langzamer. De snelheidsverschillen zijn op Le Mans daardoor groot. Topsnelheden lagen dit jaar tussen 270 en 325 kilometer per uur. Uiteraard worden de auto’s door meerdere coureurs bereden, meestal drie. Tijdens de wissel kunnen de andere twee dan rusten of slapen. Le Mans is, net als de Tour, één van ’s werelds beroemdste sportspektakels en wordt wereldwijd op TV uitgezonden. Er komen zo'n 300.000 toeschouwers en 2.500 journalisten vanuit de hele wereld op af en bijna 200 miljoen mensen volgen de race op tv. Vanuit dat perspectief is de 24 uur van Le Mans het grootste jaarlijkse sportevenement van Europa. In Nederland kijkt er geen hond want het is geen voetbal.

 

Terug naar de film. De hoofdrolspelers van de film zijn niet McQueen en collega’s maar de Porsche 917 en Ferrari 512 LM. Deze bolides vormen, samen met het circuit, het belangrijkste decor waarin een titanenstrijd om de overwinning wordt uitgevochten. Het is een prachtige en realistische racefilm met ‘on board’ camera’s, spectaculair racegeweld en lekker veel herrie. Vanaf het moment dat ik de film had gezien was ik nog meer onder de indruk van de meest legendarische raceauto die er ooit is gebouwd.

 

 

Er zijn ontelbaar veel race-auto’s gemaakt. Mooie en lelijke en alles er tussenin. Ze worden natuurlijk niet gebouwd om er fraai uit te zien maar om hard te gaan. De Porsche 917 was een uitzondering. Het was een elegante sportwagen met een zeer krachtige uitstraling die zich onderscheidde van de rest. Dat had ook te maken met de sponsor voor de Le Mans auto’s: Gulf. De Porsches waren in de prachtige blauwe en oranje kleuren van die firma gespoten. Zie de foto’s. Porsche was serieus van plan in 1970 Le Mans te winnen en had alles op alles gezet om dat doel te bereiken. Aanvankelijk was de auto een ramp en kostte levens vanwege de levensgevaarlijke wegligging. Coureurs weigerden er nog mee te rijden. Het was een ‘Menschenfresser’ geworden. Het bleek aan de aerodynamica te liggen. Men zette de zaag in de ‘long tail’ en vanaf dat moment waren de problemen voorbij. De nieuwe modelnaam werd 917K (Kurz) en het bleek een monster van de eerste orde met walsen van banden zoals niet eerder was vertoond.  Afhankelijk van het circuit werd er ook een LH gebruikt (Lang Heck) met een slanke aflopende achtersteven. Soms werden de ‘staarten’ voorzien van haaievinnen, men werd steeds bewuster van het belang van de aerodynamica. Technisch was de auto een fenomeen. Door gebruik van polyester, aluminium, titanium en zelfs balsahout was de 917 een lichtgewicht van de eerste orde. De auto werd aangedreven door een ‘flat twelve’ van vijf liter; een twaalfcilinder waarin de cilinderbanken plat tegenover elkaar lagen. Zonder turbo’s haalde men 600 pk uit de motor. In 1973 reed men in de Verenigde Staten de z.g. ‘Can-Am’ races, waar de regels minder streng waren, met een 917/30. Dezelfde motor als in de 917, maar mét dubbele turbocompressors had deze een maximaal vermogen van 1500 pk. Deze ± 415 km/uur snelle Porsche was de snelste en krachtigste race-auto voor circuits die ooit is gebouwd! Maar die 917/30 was optisch bij lange na niet zo gaaf als het origineel. De 'gewone' 917K was natuurlijk ook geen stakker. Op het rechte einde van Le Mans, de Mulsanne ‘straight’ tikten de 917’s net geen 400 km/uur aan. Mind you, heden ten dage komt men niet in de buurt. Het rechte stuk bestaat overigens niet meer. Er zijn chicanes aangebracht omdat het lange stuk te gevaarlijk bleek. Sowieso, vanwege veiligheids- en milieuregelgeving, zijn moderne raceauto’s minder krachtig en liggen de topsnelheden substantieel lager dan vroeger. In 1970 had men daar allemaal geen last van. Vanuit stilstand ging een 917K flink van jetje: in 1,9 seconden naar 100. We hebben het wel over 43 jaar geleden he? O ja, de Porsche 917 won in 1970 en 1971 de Le Mans 24-uursrace op overtuigende wijze. De 1971 versie was een door Martini gesponsorde Porsche 917K met o.a. onze Gijs van Lennep achter het stuur. Hij legde samen met Helmut Marko in 24 uur 5335 kilometer af. Het duurde tot 2010 tot dat record werd gebroken!

 

 

   

 

  

 

 

We zijn vier decennia verder en de Porsche 917 heeft een legendarische status gekregen. Het is zonder twijfel de meest onderscheidende raceauto uit de historie. Originele exemplaren zijn vermogens waard. Men rijdt er toch nog historische races mee maar dat is wel oppassen geblazen. De veilingwaarde van originele gave exemplaren ligt namelijk op vele miljoenen euro's. Op internet is er waanzinnig veel over de 917 te lezen en je kan er op afstuderen. Dus, liefhebbers, eat your heart out. Ik beperk mij tot deze blog. Ik heb nog een dingetje en dat is een filmpje uit 1977. Het is een kwalificatieronde op Le Mans vanuit een Porsche 936 en vind ik het veruit de mooiste ‘on board’ opname die er te vinden is. Het is de enige, (beetje onderbelichte) film die de sensatie van Mulsanne gaaf weergeeft. Let op de enorme snelheidsverschillen tussen de 911’s en de 936. De 936 is van een paar generaties later dan de 917 en haalt maximaal 350 km/uur. Het is de auto waarmee Gijs van Lennep en Jacky Ickx in 1976 de 24 uurs race wonnen. Een 917 ging nog eens 50 km/uur sneller. Geluid hard zetten. Vooral het uit de bochten accelereren klinkt geweldig.

 

 

 

De Porsche 917. Dat is dus één van mijn fascinaties. Ik ben benieuwd naar de nieuwe dromen en passies van de jonge generaties. Ik hoop dat ze nog komen, maar ik geloof nooit dat ze kunnen concurreren met ‘mijn’ 917. Maar we zullen zien.

 

29 september 2012 - Ferrari F12 Berlinetta

 

 

 

http://www.youtube.com/watch?v=tuUu5D4zRoo 

 

8 augustus 2012 - Nummer 49 en nummer 50 ...

 

 

 

Het is waar. Wij wisselen vaker van auto's dan van schoenen. Althans ik dan, hahaha...

 

26 januari 2012 – Aventador

Volkomen onzinnig, maar wél gaaf:http://vimeo.com/22884674. Dat dan weer wel.

 

 

20 november 2011 – Ferrari 599 GTB Fiorano

Het gaat er niet om wat je kent, maar wie je kent. Dat is toch een uitdrukking? Nou heb ik toevallig een vriend die het maatschappelijk ‘leuk’ doet en privé een mooie Porsche Carrera 4S rijdt. Die mag ik af en toe ook eens besturen. Superauto! Soms komt H. eens langs met ander leuk spul. Daar heeft hij dan even beschikking over en hij weet hoe gaaf ik dat vind. Een BMW M6 Cabriolet was zo’n auto. Dak er af en met de keuzehendel op ‘Launch Control’ volgas door een tunnel heen. Hahaha. Dat zijn wel smaakmakertjes…

 

Vorige week vraagt hij doodleuk of ik met een Ferrari 599 wil (mee) rijden. Ik dacht dat het een geintje was. Een auto van 4,5 ton euro is toch wel erg extreem. Maar, het was geen geintje! Hij kwam gewoon aanrijden met één van ’s werelds beste en duurste sportwagens. Elders ga ik in op de GTO, het ruige broertje van de GTB Fiorano, dus ik zal verder niet al te veel uitweiden, maar 12 cilnders en 620 pk is toch wel het vermelden waard. Of wat te denken van een acceleratie van 0-100 km/uur in 3,2 seconden? Ondanks de vette mist was het een geweldige ervaring. H. vroeg mij of ik nog wilde rijden, maar ik heb voor de eer bedankt. Met dit vermogen en het glibberige weer moest ik echt niet denken aan schade aan zo’n auto. Het komt nog wel een keer als het wegdek droog is en de zon schijnt. Maar, wat een sensatie is deze Ferrari. Bedankt H. Echt een mooi cadeau voor een liefhebber als ik!

 

 

De plaatjes:http://pictures.stoneageimages.com/#32.11 én de filmpjes: http://www.youtube.com/user/stoneageimages(geluid hard zetten!!!). O ja, we zaten verbaasd te kijken naar een knop op de middenconsole met de tekst 'L.C.' We hadden geen idee wat dat moest betekenen. H. grapte dat het misschien de schietstoel was. Nou, dat was er niet ver naast. Het betekent ‘Launch Control’. Jeremy legt het allemaal nog even uit:http://www.youtube.com/watch?v=eeDikqFGjoo

 

18 oktober 2011 – Stauto’s

Niet weer over auto’s hè? Ja, weer. Maar ik probeer het dragelijk te houden. Geen Ferrari’s en dikke bakken dit maal, maar brave burgerauto’s. Alleen… de auto's waar ik op doel zijn wel een klein beetje stout. 'Stauto’s' wil ik ze noemen.

 

Gisteren heb ik mijn behoorlijk oubollige VW Polo (lease) ingeleverd en een nagelnieuwe Peugeot 207 1.4 VTI i in gebruik genomen in de kleur Bleu Belle Isle (dit is auto #45). De VW was echt een A naar B auto. Weinig mis mee, maar ‘boring’, niet te geloven gewoon. Volkswagens zijn gewoon goeie auto's, maar als je ze niet een beetje 'pimpt' dan doen ze hun naam in mijn ogen te veel eer aan. Deze Polo was echt een van de weinige auto’s waar ik zonder enig plezier in heb gereden. Grijs en saai. Nee, dan de Peugeot, die is echt wel een beetje stout. De kleur houdt het midden tussen turquoise en kobalt. Daar rijdt geen tweede van rond. Niet een beetje te hip voor een vijftiger? Misschien wel, maar dat kan me geen moer schelen. Ik vind het een gaaf gestyleerde auto met een fraai en volwassen interieur. Onder de kap trappelen bijna 100 paarden en daardoor gaat-ie buitengewoon goed van jetje. En is hij nog niet eens ingereden! Heerlijk gewoon. Het is verder een compacte auto maar verrassend ruim van binnen en zeer solide afgewerkt. Dat was vroeger wel anders bij Franse vierwielers. De Peu gaat het technisch niet winnen van de Punto, maar ik vind deze 207 verder een zeer geslaagde auto. 

 

  

 

'Mijn' Peugeot vind ik dus, vanwege de kleur, een klein beetje een stauto. Maar je hebt altijd baas boven baas... Een paar weken geleden reed ik in de buurt van Zeist op de snelweg. Voor mij verschijnt een witte VW Polo met Oostenrijks kenteken. Ik lees meestal, onbewust misschien, Duitse nummerborden. De Germaanse kentekens hebben vaak van die maffe letter combi’s zodat er grappige woorden staan. Een auto uit Keulen met als tweede lettercombi ‘UT’ is uiteraard een bekende. Bij Poolse of, in dit geval, Oostenrijkse kentekens gaat dat meestal niet op. Maar, las ik het nou goed...?

 

 

Ik ging dichter achter de Polo rijden en heb met de Samsung bovenstaande foto gemaakt. Dit is een ingezoomde uitsnede:

 

 

Hahaha. Niet te geloven toch? De bestuurder was een degelijk dametje van tegen de zeventig (ik ging er even naast rijden). Hoe kan het ook anders in een VW Polo? Volgens mij had ze geen idee dat zij in een hele echte stauto reed. Zoals ik al zei, je hebt altijd baas boven baas.

 

20 juli 2011 - Lamborghini Miura P 400 SV (Sprito Veloce) 1971

'A thing of Beauty'... V12 DOHC mid-engine, 3929 cc, 385 pk bij 7850 t/min, 0-100 km/uur 5,7 seconden, topsnelheid 278 km/uur.

 

 

26 juni 2011 - Italia a Zandvoort

Wij lieten ons niet gek maken. Wij gingen Lekker op tijd weg. Wij zouden aldus lekker makkelijk kunnen parkeren. Not. De rit van de boulevard van Zandvoort naar het circuit in de duinen duurde zomaar een half uur. Van Haarlem af ging het al stapvoets. Dus wij waren opgelucht dat wij op het parkeerterrein van Rob Slotemaker (!) eindelijk uit de auto konden. Jezoes… wat een drukte was dat. Wat vader en zoon daar deden? Wij waren op weg naar ‘Italia a Zandvoort’ een evenement ten faveure van het Italiaans Automobiel. En terecht natuurlijk. Maar dat weet de aandachtige lezer inmiddels. Wat dat allemaal behelsde? Vooral heel veel kijken naar de geparkeerde auto’s op het binnenterrein. Een bonte collectie Ferrari’s, Lamborghini’s, Fiat’s, Alfa’s, Lancia's, Iso’s, enzovoort, enzovoort. Er zijn (waren) heel wat meer Italiaanse merken dan je zou denken. Op het circuit reden de exoten afwisselend wat snelle rondes. Maar er was ook een enorme optocht Vespa scooters, Italiaanse motorfietsen en allerlei andere Italiaanse wonderen op wielen. De Ferrari 599 GTO stal voor mij uiteraard de show. Inmiddels had het druilerige weer van gisteren plaats gemaakt voor een zonnetje en het werd dus een heerlijke dag. Mijn goede vriend H., tevens eigenaar van een Punto (binnenkort ook een Evo) dacht dat er waarschijnlijk weinig Punto’s waren tussen al die exoten. Mis! De Punto Evo én de 500 zijn duidelijk ‘hot’. Het circuit en parkeerterreinen waren werkelijk vergeven van 500’s (in de meest schitterende kleuren), Evo’s en Abarth’s. Dat doet een mens goed, hahaha. Ben ik ook eens een keer bij de tijd. Een leuk en gezellig evenement om te hebben meegemaakt en een aanrader voor de liefhebber.

 

De plaatjes: http://pictures.stoneageimages.com/#28.0 

 

 

24 april 2011 - Autorai 2011

Hoeveelste keer? Geen idee, maar in ieder geval de tweede keer naar de Autorai met S. Super leuk! Favoriet? Natuurlijk de Ferrari 458 Italia. Het was de laatste dag rond etenstijd en er was, relatief gezien, geen hond. Maar wij wel, hahaha. Een bloemlezing (foto's gemaakt door S. et moi):

 

 

6 maart 2011 - Ferrari

Wellicht gaan wij dit jaar in de zomervakantie weer naar Italië. Wij zijn gek op dat land. Vroeger, voordat onze zoon werd geboren, kwamen wij er vaak. We maakten gebruik maken van een appartement van familie in Noord-Italië, aan de rand van de Dolomieten. Fantastische plek, maar het appartement is niet geschikt voor een klein kind. Er is geen tuin en zelfs geen balkon dus je moet eigenlijk altijd de hort op. Geen probleem daar, want elke stad en dorp in de buurt is een open luchtmuseum. De Dolomieten, Vicenza, Padua, Venetië, noem maar op, alles ligt min of meer binnen handbereik. Maar met een klein kind kun je niet constant onderweg zijn. Dat ventje is inmiddels dertien jaar en kan zich prima zelf vermaken. Bovendien vindt hij  'dingen' doen en bekijken ook te gek, dus waarschijnlijk gaan we het dit jaar proberen. De streek, Veneto, is schitterend. Hordes toeristen bezoeken jaar in jaar uit Toscane, maar ik zal je verzekeren dat Veneto minstens zo veel heeft te bieden. Nee, eigenlijk veel meer. Een ‘geheimtip’ zoals in heel Europa overal van die prachtige steden en streken zijn te vinden die de toeristen links laten liggen. 

 

Italië spreekt ons toeristisch in vele opzichten aan, maar ook een beetje vanwege de gekte. Italianen hebben toch een enorme ‘lust for life’ wat lijdt tot een licht gestoord gedrag die aanstekelijk en vaak humoristisch is. Je moet er wel oog voor hebben en je er niet aan ergeren uiteraard. 'Doe maar gewoon, da's al gek genoeg' gaat 'm in Italië niet worden. Als je er woont zal je als Noorderling wellicht horendol worden van de eigenzinnige 'moraal', maar wij vinden het geweldig. Voor een paar weken...

 

Het ultieme symbool van Italië en deze lichte gestoordheid is voor mij toch wel Ferrari. Het beroemdste sportwagenmerk ter wereld. Waanzinnig gaaf vormgegeven, volledig over the top gemotoriseerd én geprijsd. In mijn stukje van de zomervakantie van vorig jaar verhaal ik over de avonturen van onze zoon in een Ferrari F430. Dat was een mooi avontuur.

 

 

Jaren terug was het rijden met een Ferrari geen onverdeeld genoegen. Het rammelde, ging kapot, was zeer oncomfortabel en je nieren waren hun leven niet zeker. Vanwege het ontbreken van enige bekrachtiging stuurde en koppelde het allemaal veel te zwaar. Ik heb het ooit een paar klilometers aan den lijve mogen ervaren in een Testa Rossa. Die dagen van onbetrouwbaarheid en 'hardship' zijn voorbij. Ferrari's zijn inmiddels state of the art machines geworden waarin de allernieuwste stand van autotechniek is verwerkt. De bouw schijnt inmiddels zo degelijk als een Audi te zijn, dus van mij mag er één op de stoep komen. Dat zal sowieso nooit gebeuren want de verzekeraar, als je al een partij kunt vinden (..), vereist stalling van de bolide in een garage. Dus behalve de Ferrari moeten we er ook nog een huis met dubbele garage bij winnen en dan worden de kansen wel erg klein. Dus dan is Top Gear of Youtube het beste alternatief. 

 

Enige tijd geleden mailde ik de link van een gaaf Ferrari-filmpje aan vrienden. Vriend R., dat had ik ook verwacht, reageerde prompt. Hij vond het filmpje helemaal te gek en had gelijk zin om naar Italië te gaan. Kijk, da's nou mooi. Heb ik in ieder geval iemand enthousiast gemaakt. Een mens moet af en toe eens over zijn nuchtere Nederlandse boersigheid heen kunnen stappen en de grenzen van het betamelijke opzoeken. Dat houdt de vaart er in en doet het bloed stromen. Het moet ook eens een keer leuk zijn in het leven, niet? Even als een leipo met zo'n brullende twaalf cilinder gas geven in een tunnel. Ja, da's dus gewoon leuk. Ik zie mij nog vorig jaar samen met Stijn de Silvretta Alpenstrasse opdenderden. We gingen vroeg op pad om een bergtour te gaan maken en de pasweg omhoog was nog verlaten. John Scofield keihard over de stereo, raampjes open en daar vlogen we, wind in de haren, met doorslaande wielen via de tientallen hairpins omhoog. Met rokende banden stonden we in no-time boven. Ik had nog een Alfa 159 af kunnen schudden. Met m'n Auris diesel. Yes. Af en toe moet dat kunnen, hahaha. Mannen zijn kinderen. Af en toe een keertje onverantwoord. Just boys having fun. Da's dus ook een beetje de 'Italian way'. 

 

De tekst van het bewuste mailtje: “Italia! I love it! (..). Kijk en luister naar de ultieme Ferrari voor ‘normaal’ gebruik op de weg. De Ferrari 599 GTO. Geen interesse in auto’s, maar wel interesse in een nieuw muziekinstrument? Vraag in dat geval of het vrouwtje even de kamer uit gaat, negeer kinderen, huisdieren en buren maar heel even en zet het geluid direct na de openingstune KEIHARD! Het is een HD film, dus ->1080p. Meravigliosa! Als je geen behoorlijke speakers of headset hebt om af te spelen, laat dan maar zitten.

  

 

Voor alle normale mannen met testosteron: gewoon kijken met het geluid op aso. Interesse? Voor 265.376,- euro mag je ‘m bestellen in Maranello. Als je ‘m dan in Nederland wilt gaan én blijven rijden dan dien je de schatkist nog te spekken met 176.174,- euri aan BTW en BPM. Da’s bij elkaar 441.550,- eurootjes…"

 

http://www.youtube.com/watch?v=cV-O4RWcSHM

 

Met een nieuwe Ferrari 458 Italia is ook weinig mis. Achtpittertje en voor iets meer dan 265.000 euro ben je de man!

 

 

4 maart 2011 – Gran Torino

Op mijn 12e verjaardag, in 1969, kreeg ik van mijn moeder een abonnement op ‘Autorevue’. Een tweewekelijks autoblaadje met veel autotests, mooie verhalen over de racerij en veel zwart-wit foto’s. Van mooie kleurenplaatjes was nog geen sprake. Ja, op de omslag. Duhhh. Ik las het tijdschrift van voor naar achteren en weer terug. Gek was ik er van. Maar toen ik wat ouder werd en mijn Duits en Engels steeds beter werd, waagde ik mij ook aan buitenlandse autoperiodieken. Die waren wél voorzien van kleurenfoto’s en bovendien even wat spectaculairder. Over de Nederlandse uitgaven hing toch wel een beetje een spruitjeslucht. Nee, dan moest je eens een Amerikaans blad kopen! Het was de tijd van ‘muscle cars’ en ik kwijlde over de kleurenfoto’s van moddervette Chevy’s, Ford’s, Pontiac’s voorzien van ‘Big Block V8’s’. Geweldig. Niks geen geëmmer over CO2 en dergelijke. Rokend rubber en ‘Pedal to the metal’. Jan, Piet, Joris en Corneel.

 

Mijn favoriete filmscene destijds was natuurlijk de achtervolging in ‘Bullit’ met Steve McQueen. Alleen voor echte mannen, hahaha:  http://www.youtube.com/watch?v=t8rPx3BXNqw Let op: in HD kijken!

 

Muscle cars waren onbeheerst en bruut, maar ze waren met grote liefde gebeeldhouwd, gedurfd en schitterend geproportioneerd. De oliecrisis van 1973 maakte korte metten met deze autofiele, hele foute en vooral natte, 'American Dream'.

 

 

 

Mijn eerste held was waarschijnlijk Clint Eastwood in zijn rol als Rowdy Yates in de TV western ‘Rawhide’. Wat heeft dat nou met die muscle cars te maken? Het 'bruggetje' komst straks... Rawhide was een zeer populaire ‘kooibooi’-serie die in de jaren zestig op zaterdagavond werd uitgezonden. Ik mocht altijd kijken. Fris gewassen uit de teil, haartjes gekamd en in pyjama beneden op de bank bij oma. Wij woonden op de eerste verdieping in oma's huis. Zij woonde op de begane grond én was in het bezit van een televisie. Een voorrecht toen. Mijn vader en moeder keken ook naar Rawhide. Iedereen eigenlijk. Bonanza liep toen ook, maar dat vond ik een serie voor watjes. Met die ‘pafferige’ zoon. Hoe heette die ook alweer? O ja, ‘Hoss’. De lul. Dat was toch geen vent? Gaf mij maar Rowdy Yates en Gil Favor. Op Youtube staat nota bene het beroemde openingsfilmpje van Rawhide: http://www.youtube.com/watch?v=Sl2fONPgIJE.

 

 

 

Wauw, wat vond ik Rowdy stoer. Zo wilde ik ook worden, een echte onverschrokken held. Clint heb ik verder niet echt meer gevolgd in zijn filmcarriere. ‘Dirty Harry’ was niet mijn stijl en veel van zijn films waren toch een een beetje ‘sta of ik schiet’. Echter, naar mate zijn jaren vorderden, werden de films beter. Zeker in zijn rol als acteur én regisseur groeide hij enorm. In 2008, hij is dan 78, speelt hij de hoofdrol in de door hem geproduceerde en geregiseerde film ‘Gran Torino’. Destijds zag ik trailers en las wat recensies die alle zeer lovend waren. Het kwam er toen niet van om de film te gaan zien in de bioscoop. Vorige week ging ik samen met mijn zoon een filmpje huren en hij pakte ‘Gran Torino’ uit de schappen. ‘Hé, da’s gaaf’, dacht ik. ‘Kan ik ‘m eindelijk eens zien’. Zo geschiedde. De titel sprak mij in 2008 natuurlijk aan, want een ‘Gran Torino’ is een Ford Gran Torino. Daar is het bruggetje. Een Torino, althans, bepaalde uitvoeringen, was zo’n muscle car. Ik vroeg mij af waarom de film deze merkwaardige titel had meegekregen.

 

 

 

Ik ga hier geen recensie schrijven, maar wel een aanbeveling. Deze film is een meesterwerkje. Een mooie film met ruwe emoties in een klein verhaal. Clint Eastwood domineert de film als oude en chagrijnige Korea-veteraan en acteert met een autoriteit die zijn gelijke niet kent. De fotografie is prachtig en de emoties zijn echt. Ik vond het ook een melancholieke film. De Gran Torino staat symbool voor die melancholie die niet in woorden is uit te drukken. Clint Eastwood is zelf ook een symbool, een icoon. Het gaat over een pijn die schrijnt, maar soms ook koestert.

 

In de ‘extra features’ gaat men in op de rol van de auto, een Ford Gran Torino Sport uit 1972, en het belang van dit soort identificatieobjecten in zijn algemeenheid. Het spreekt mij aan en ik begrijp wat er wordt bedoeld. Een emotie die niet bij iedereen een snaar zal raken. Maar Clint en ik weten en voelen dat. Kijk ’m zitten op zijn veranda terwijl hij tevreden een cigaret opsteekt en voldaan naar zijn juist gepoetste Torino kijkt. De mantra is gedaan. Daarom dus 'Gran Torino'. Melancholie en boeddhisme.

 

 

 

Dit blogje had net zo goed onder ‘Muziek’ kunnen staan, want de primaire aanleiding is de aftitelingssong van de film. Ik verklap geen plot, maar in het laatste shot komt de Gran Torino langs Lake Michigan voorbij rijden terwijl Jamie Cullum de song ‘Gran Torino’ zingt. Een prachtige en verstilde ballad. Zo mooi, dat ik een brok weg moest slikken…

 

http://www.youtube.com/watch?v=NoLc43YuuTw Is dat mooi of niet? Gaat dat zien!

 

13 september 2010 - The Evo Has Landed

Het heeft even geduurd maar onze Fiat Punto Evo 1,3 Multijet Dymamic 5 deurs hatchback (say what?) is 1,5 week geleden afgeleverd. We vinden het een prachtige auto. Hoe het verder bevalt? Ik zal de bezoeker van dit weblog die het geen bal interesseert niet vermoeien met wéér een hele verhandeling over auto's. Voor degenen die het wél interesseert verwijs ik naar mijn review op Autoweek.nl: http://www.autoweek.nl/autoreview/28304/Fiat-Punto-Evo-13-Multijet-16v-85-Dynamic

 

Natuurlijk heb ik ook een paar lichtbeelden gemaakt: http://pictures.stoneageimages.com/#23.3

 

 

8 augustus 2010 – Audi A1

Misschien wordt mijn weblog wat al te materialistisch en technologisch, maar dat moet maar even. Het zijn allemaal zaken die mij bezig houden tenslotte; binnenkort weer iets van hoger belang. Over de Fiat. Volgens de dealer schijnt onze witte Punto geproduceerd te zijn! Hoera. De Punto Evo’s worden geproduceerd in San Nicola di Melfi in het verre zuiden van Italië. Vandaar gaat de auto op de boot (of trein?) naar Antwerpen. Daarna moet de auto worden ingeklaard, ingevoerd en op transport naar Nederland, respectievelijk naar Gouda. De dealer zet de auto daarna op kenteken maakt hem rijklaar. Dussss… Dat gaat nog weeeeken duren. Minimaal. Ik ben benieuwd of we de auto rijden als de blaadjes nog groen zijn. Of er überhaupt nog blaadjes aan de bomen zitten. Nou ja, er zijn gewichtiger zaken. Inmiddels rijd ik wel al weken met de fiets naar werk en terug en het bevalt prima. Uiteraard makkelijk lullen met zulk weer, maar toch. Ik rijd natuurlijk regelmatig met het koetsje, maar ik mis wel een beetje dat rijden met iets anders. Toen J. mij verrastte met de mogelijkheid proef te rijden met de nieuwe Audi A1, greep ik die kans dus met beide (blijde) handen aan. Iedere nieuwe auto vind ik leuk om in te rijden. Of het nou een Dacia of een dikke BMW is, maakt mij niet uit. Op naar Rotterdam om bij de Ahoy de sleutels in ontvangst te nemen en een half uurtje, met S. er naast, te sturen met een A1 1.6 TDI. Fantastische auto. Het rijdt echt heel goed, alsof je in een twee maten grotere auto rijdt. Zoals alle Audi's zit het weergaloos mooi in elkaar; dat is de mensen uit Ingolstadt wel toe vertrouwd. Hij is iets korter maar ook iets breder dan een Punto. De Audi is wellicht van een andere statuur, een ander klasse, maar conceptueel zijn de auto's best te vergelijken. De Audi ziet er in het echt, zeker in rood of wit, gelikt uit. Beter dan op foto's. Moet je d’r wel 16 of 17 inch wielen onder laten monteren. De A1 is wat sterker dan de Punto maar evenredig zwaarder en qua prestaties komt de Punto aardig in de buurt schat ik. Dat is mooi, want de A1 rijdt heerlijk, trekt als een lier en het start/stop systeem werk feilloos. Goed om dat eens te ervaren want dat hebben wij straks ook in ons Italiaantje. De A1 is bedoeld als Mini killer en heeft een sportievere inborst dan de Punto die natuurlijk bedoeld is als brave familieauto. De onvergelijkbare bouwkwaliteit van Audi heeft wel een een consequentie: het prijskaartje… De basisprijs is al niet mis, maar dan begin je met een behoorlijk kaal autootje. De glossy folder met prijzen en opties van de A1 is een halve centimeter dik en ‘onze’ witte A1 had een 'paar' extraatjes en mocht voor 35.000 pietermannen van eigenaar wisselen. Als je een A1 van meer dan een halve ton wenst, dan is dat ook geen enkel probleem!

 

 

 

Zie ook: http://pictures.stoneageimages.com/#22.34

 

12 juli 2010 – Oostenrijk & auto's

Deze weblog had eigenlijk moeten gaan over onze vakantie in Oostenrijk met J., S, schoonvader en schoonzus, maar het gaat eigenlijk (weer) over auto’s. Sorry. Hoe dan ook, we hadden weer veel geluk met dit tripje naar Montafon in Vorarlberg. We hebben veel gewandeld in de bergen, een mooi uitstapje gemaakt naar Lindau aan het Bodenmeer en nog wat andere activiteiten ontplooid. Weinig over te vertellen eigenlijk. Maar dat heb ik al eens uitgelegd hoe dat zit met vakanties en reizen waarbij alles mooi is en niemand iets breekt: niet leuk voor de aanhoorder. Ellende! Daar gaat het om in een mooi reisverhaal! Maar deze vakantie had toch wel twee leuke ‘dingetjes’ die ik toch wil delen en die ook weer met de heilige koe te maken hebben. Het was de week van de Sivretta Classic 2010. Een ‘rally’ met oude auto’s over de Silvretta Hochalpenstrasse en omliggende bergpassen. Voor de liefhebber en zelfs voor de niet-liefhebber een ontzettend leuke en charmante happening. De hele week werden de wegen bevolkt door echte oldtimers zoals Blower Bentley’s (4,5 litre supercharged), Mercedessen SSK en SL 300’s (‘Flügeltür’), Porsches Spyder (James Dean), maar ook Opel Manta’s, Ford Capri’s en andere ‘youngtimers’. Hartstikke leuk.

 

 

Het werd in de loop van de week steeds warmer en één van de dagen wilde men na een fikse en hete bergwandeling naar het zwembad. Mij niet gezien, dus ik bracht de familie naar het zwembad in de buurt waarna ik lekker even kon ‘chillen’ in de schaduw met een boek. Zwembad… pokkeherrie… Na een paar uurtjes ging ik de badgasten weer halen. Tijdens de rit naar het zwembad viel mijn oog op een parkeerterrein aan de zijkant van de weg vol met exotische bolides. Op de terug weg besloten we even te gaan kijken. Jeezz… Een parkeerterrein vol met Ferrari’s, Lambo’s, Maserati’s enzovoort. Nieuwe én oude exemplaren.

 

 

 

Er kwam een man van een jaar op zestig op ons af, natuurlijk geattendeerd door onze aandacht voor het bijzondere wagenpark. Aardige man. Hij groette ons vriendelijk. Ik vroeg hem of de auto’s van één of andere Ferrari club waren. Nee, alle auto’s waren zijn eigendom. Slik… Multimiljonairtje dus. We (en de rest van de fam) raakten aan de praat met de man. Hij bleek ex-importeur van Lamborghini in Zwitserland te zijn, Max Bobnar, en verhuurt nu voor de commercie dit soort auto’s vanuit vestigingen in Solothurn en Lago Maggiore. Schoonzus K. met bikinitop nog aan én zicht op haar royale cleavage, durfde hem te verleiden met de vraag of onze zoon S. niet een rondje mee mocht rijden met één van de snelheidsmonsters. J. drong ook nog eens aan: “Dass ist sein Jungenstraum!”. De man zwichtte voor de charmes van de zusters. Hij vroeg de om hem heen dreutelende man (zijn knechtje?) de sleutels te halen van de nagelnieuwe rode Ferrari F430. Voor de leek: we hebben het over een auto van 2,5 tot 3 ton euri (afhankelijk van de extra’s) met bijna 500 pk en een een top van 315 kilometer per uur. Al glunderend stapte S. in. De Ferrari kwam met een brul tot leven en zachtjes rolden de heren naar de ‘Bundesstrasse’. Geen verkeer. Met een enorme noodgang accelereerde de Ferrari met onze jongen en een wildvreemde vent er vandoor… We hoorden het gebrul van de motor nog minutenlang tussen de bergen weekaatsen. Haha. Wat een sensatie. Na tien minuten kwamen ze aan denderen. Wauw. We weten het definitief: S. wil rijk worden!

 

Voor meer informatie over de Silvretta Classic 2010: http://www.motor-klassik.de/silvretta-classic-rallye-1228187.html

 

11 juli 2010 – Ze zijn weer terug

Dit stukje is eigenlijk bedoeld voor de autoliefhebbers, of misschien ook niet. Ik weet eigenlijk niet waar het over gaat. Nostalgie, economie? Nou ja, zie maar. In ieder geval: we zijn op vakantie in Oostenrijk geweest. Voor de tig-ste keer. Het is een beetje saai, maar het bevalt zo goed, dat we bijna als vanzelf de eerste vakantiedag van de zomer richting Alpen rijden. Vroeger, in de jaren zeventig, gingen wij ook regelmatig naar Oostenrijk. We reisden dan met twee families en deden er traditioneel twee dagen over. Een kleine caravaan met de Opel Kadett van mijn vader, een oude VW Kever en de Peugeot 404 van mijnheer H., de vader van mijn vriend R. De Kadetten van mijn vader waren nooit ouder dan drie jaar, maar het oude wagenpark van mijnheer H., ondanks dat het geld uit zijn oren kwam, hing met ijzerdraad aan elkaar. Niet zelden stond de familie H. voor Ede al met een lekke band of iets dergelijks. De eindeloze reis, de hitte (niks geen airco) en de tergend lange rit herinner ik mij toch als een feest. Mijn moeder zorgde voor stripboeken en snoep en zo brachten mijn zus en ik de reis op de ‘skai’ (kunstleer=plastic) achterbank tot een goed einde. Vanaf mijn twaalde was ik gek van auto’s en de rit over de Autobahnen was tevens één lange kwijlpartij. Terwijl onze gezapige Hollandse auto’s met hooguit 110 km/u voort sukkelden, denderden ons links en rechts een bonte stoet van Porsches, BMW’s, Mercedessen en dikke Opels voorbij met snelheden waarvan wij niet konden dromen. Ik toverde mij vaak in zo’n vette bak. Een BMW 3.0 si bijvoorbeeld. Of een 2002tii. Of zo'n schitterende Opel Commodore GS/E. Ik zou ‘ze’ een poepie laten ruiken. ‘Pedal to the Metal’ en met 200 km/u richting Alpen. Binnen een dag. Wauw…

 

   

 

Inmiddels rijdt de eerste de beste compacte auto zo goed, dat de rit naar de Alpen een gekoelde peulenschil van een kleine dag is. Hebben we geen Beierse patserbak meer voor nodig.  

Sinds de jaren zeventig is het voor mij een minimaal jaarlijks fenomeen: wandelen in de bergen met vrienden of familie en de daaraan voorafgaande snelle rit over de Autobahn (of Autoroute) in vlotte middenklassers. Tot voor kort bleef ik mij verlustigen aan al die prachtige glimmende testosterone überbolides. Maar opeens, een paar jaar geleden, waren ze verdwenen. Geen 7 series, S klasses en 911 Turbo’s meer te bekennen. Blijkbaar had de ‘Anschluss’ een gevoelige deuk geslagen in het fraaie Duitse wagenpark. Jammer. Maar dit jaar… Ik snap er geen reet van. Europa zit in een super diepe crisis en Duitsland niet minder en de Autobahnen waren dit jaar bevolkt met zoveel Cayennes, Touaregs, A6-en, A8-en, 5 series, X5-en en 911’s alsof ze te geef zijn. Leuk, maar weet iemand wat hier aan de hand is?

 

   

23 mei 2010 – Opportuun automoblisme

De overheid heeft voor milieusparende auto’s een leuke regeling verzonnen: Het gaat om benzineauto’s met een CO2-uitstoot onder de 110 gram en dieselauto’s met een uitstoot onder de 95 gram per kilometer. Deze maatregel is op 1 januari 2010 ingegaan en zal nog wel een paar jaar gaan duren. Deze auto’s zijn vrijgesteld van BPM en Motorrijtuigenbelasting. Dit even ter introductie.

 

Na een jaar twee auto’s uit de privé portemonnee te betalen, besloten we dat de prijs te hoog werd. Letterlijk. Bovendien ook gekkenwerk als je beiden woont en werkt in dezelfde plaats. Tja, als je twintig jaar lang in een auto van de baas hebt gereden raak je verwend he? Voor ons huis stonden altijd twee auto’s paraat. Maar het is niet anders, de portemonnee regeert. De knoop moest gewoon worden doorgehakt want we werden het zat om zo veel geld uit te geven aan twee heilige koeien. We besloten de Toyota (zie blog 7 augustus 2009) weg te doen en de Opel Agila in te ruilen voor een auto waarin we ons beiden senang zouden voelen. De kandidaat moest ook als gezinsauto geschikt zijn én ons vlot en redelijk comfortabel over Autobahnen naar de alpen kunnen rijden. De Agila (het ‘koetsje’) heeft, met name J., voor en na haar heupoperatie uitstekende diensten bewezen door de hoge instap en de praktische koets waar je zomaar van alles in kunt laden. In de stad rijdt het perfect en zelfs op de buitenweg staat-ie zijn mannetje. Of beter, vrouwtje. Bij het verkeerslicht in de stad is hij met enige aandrang als eerste weg. Het Opeltje stuurt als een mes maar de vierkante koets vangt veel wind en met die kleine wieltjes zit je op de rijksweg steeds bij te sturen. Bovendien produceert hij boven de 100 toch wel flink wat geluid en is het dus niet de ideale vakantieauto. We lieten ons oog nog even vallen op een acht jaar oude Volvo S60 met 212.000 km op de klok. Het reed fantastisch maar dat durfden we toch niet aan vanwege de toegezegde NGGW garantie*). Het andere probleem daarbij is 25 centimer lang. Dat is het lengteverschil tussen J. en uw auteur. Zij kan gewoon bij grote auto’s niet boven het stuur uitkijken én tegelijkertijd de pedalen bedienen. De dealer die de Volvo op het terrein had staan wees ons daarna op een Fiat Punto Evo 1.3 Multijet 16V Dynamic 85 5d Hatchback. Say what? Dat is dus de ‘groene’ versie van de vernieuwde Punto. Zo’n BPM en belastingvrije auto waar ik op doel in de introductie. Wij dichten het milieu theoretisch een warm hart toe. Maar dat is dus inderdaad theorie. Om eerlijk te zijn, we zijn gewoon opportunisten en met het milieu begaan als het zo uitkomt. Ik ben bang dat dat voor de meesten onder ons van toepassing is. Shame on us. Gelukkig zijn er bevlogen politici én fabrikanten die omzet ruiken.

 

*) Niet Goed Geld Weg

 

 

 

Maar goed, we zijn gevallen voor de Fiat. Mijn/onze 42e auto! Te belachelijk voor woorden eigenlijk, maar het is echt waar. De leaseauto's zijn hier natuurlijk bij inbegrepen. Maar ik dwaal af, excuses. Ik heb uitgerekend dat als wij een identieke Fiat of vergelijkbare auto hadden gekocht die nét niet in de regeling zou vallen dat wij duizend (1000!) euro netto per jaar meer kwijt zouden zijn aan motorrijtuigenbelasting en brandstof. Ons dieseltje belooft namelijk in de praktijk ook nog eens ± 1:23 te rijden! De Fiat is compact en elegant genoeg voor J. en stoer en snel genoeg voor mijn wensen. Met zijn drieeën kunnen wij er prima een vlotte rit mee naar het buitenland maken. Bovendien zit er van alles op en aan én sparen we het milieu ook nog een beetje. We vinden dat we voor een gedurfde combinatie hebben gekozen: ‘ambient white’ met een rood/zwart interieur. We hebben niet zulke grote wielen als op het fotootje, maar een kleiner maatje. Wel lichtmetaal, dat dan weer wel. Dat wordt best een mooie auto! Helaas moeten we nog maanden wachten tot dat het karretje de fabriek uitrolt. Maar als het eenmaal zover is zullen we ons schattige Agila-koetsje toch wel missen! In iets meer dan een jaar tijd van drie auto's afscheid genomen. Ja, zo gaat het wel hard. Deze man moet dus wat vaker op de fiets naar zijn werk. Elk voordeel heeft zijn nadeel. Of, eh… nee. Elk nadeel (Toyota weg) heeft zijn voordeel (fietsen is gezond). Nou ja, alles heeft zijn prijs in ieder geval. Ook voor opportunisten.

 

Voor de geïnteresseerden: http://www.youtube.com/watch?v=13rG39-vz0Y Onze Fiat is geen Multiair, maar een Multijet; een diesel dus. Let op het interieur!

 

7 augustus 2009 - Het Stalen Ros

Ik denk dat ik een jaar of tien was toen bij mij het autovirus toesloeg. Het hoe en waarom, hoe het verder ging en de betekenis van het virus is een te lang verhaal. Kan ik ook een boek mee vullen. In het kort: ik tekende en ontwierp auto’s dat het een aard had. Ik las alles wat los en vast zat over auto’s en autosport en binnen no-time had ik het begeerde rijbewijs en sinds die dag, in september 1975, rijd ik iedere dag. Als ik niet ergens op reis was welteverstaan. Ik rijd dus graag auto. En da’s zachtjes uitgedrukt: het is bijna mijn natuurlijke habitat. Ik voel mij net zo ontspannen in een auto als in bed. Bijna. Sinds 1987 rijd ik met enige onderbreking in een auto van de zaak. Een geweldige luxe die het mogelijk maakt auto’s te rijden die je zelfs met een goed inkomen privé bijna niet kunt rijden. Per 1 september heb ik een nieuwe baan waar absoluut geen auto voor nodig is. Lekker op de fiets. Wat wil een mens nog meer? Een auto dus! Een auto van de zaak is een luxe die ik niet zo maar even laat lopen. J. heeft zelf haar Agila nodig en die is toch niet ideaal voor de langere rit. Laat staan voor vakantie. Voor de nieuwe baan vind ik het geweldig om te gaan fietsen, maar niet als het regent, sneeuwt en dergelijke. Maar de nieuwe baas was niet te vermurwen: geen auto ‘van de zaak’. Maar hij wilde wel iets ‘doen’ en we bedachten een list. Ik zal niet in details treden maar we hebben ‘iets’ geregeld waarbij de keuze een Toyota Auris was. ‘Aan me nooit niet’, dacht ik. ‘Da’s toch wel een erg karakterloze bak’. Maar goed: toch even gaan kijken: Mmm.. aparte kleur two tone blauw. 2 liter 16v commonrail diesel, 6 versnellingen, 128 pk, 300 Nm, 0-100 in 10 seconden, bijna 200 km/u. Niet gek. Full Map DVD navigatie, knie airbags, gordijn arbags, gescheiden climate control, cruise control, enzovoort. Toch wel interessante kar. Ik besloot een stukje te gaan rijden. Gaaf interieur! High tech dashboard en stukken ruimer dan de buitenkant doet vermoeden. Da’s wel wat anders dan de interieurs van de VAG producten. Om een lang verhaal kort te maken: deze auto rijdt zalig! Niet heel erg sexy van buiten, maar van binnen is hij bijzonder gaaf en hij rijdt als de brandweer. Ik ga deze auto rijden voor maandlasten ter hoogte van de prijs van een paar flinke weekendboodschappen. Het is duidelijk crisis in autoland…

 

 

 

S. en J. vinden het overigens best een mooie auto. Dat valt dus weer mee. Het is trouwens ook nog eens een heel zeldzame auto: ik heb er de laatste dagen een beetje op gelet en ik heb meer Porsches, Aston Martins en Bentleys gezien dan Aurissen. Ik ben d’r helemaal happy mee!

 

O ja, in oktober ga ik met vriend K. nog naar Zwitserland. Het wordt dus helaas geen VW Golf 2.0 TSI GTI maar wel een snelle en comfortabele autobahn cruiser! O ja, de brandstofkosten voor Zwitserland moeten we delen J. Dat dan weer wel…